ANKIE VAN DER VINNE: GRONINGSE VAN FRIESE KOMAF
laatst aangepaste versie 4/2/2008; eventuele reactie naar dckruis at zeelandnet.nl

Oma Ensing-van der Vinne is van de grootouders degene die we het beste hebben gekend. Jarenlang woonde ze bij onze (schoon)ouders in huis. Ze had een veelbewogen leven gehad met grote veranderingen en het viel niet altijd mee de eindjes aan elkaar te knopen. Van haar vroegste jeugd in Musselkanaal tot aan haar laatste jaren in haar kamer "boven". Op gezette tijden wisten we haar te verleiden te vertellen over het verleden, helaas in een tijd dat we nog niet zo alert waren dat allemaal te noteren. Maar nu gaan we nog verder terug; waar kwam Ankelina van der Vinne eigenlijk vandaan? Als je haar hoorde was ze Drents en de meeste tijd van haar leven woonde ze inderdaad in Drenthe. Maar ze was geboren en getogen Oost-Groningse. Gaan we nog verder terug in de geschiedenis dan moeten we beginnen in de rumoerige grensstreek van Friesland en Groningen.

De grensstreek van Achtkarspelen: woonplaats van Uble en Pieter.
Zevenhuizen: bakermat van "Van der Vinne"
De "Monden": de streek van Jacob van der Vinne
Musselkanaal: kruidenier Jakob van der Vinne
Ankelina uit Vlagtwedde

Stamboom Ankie van der Vinne

TERUG

De grensstreek van Achtkarspelen: woonplaats van Uble en Pieter.

Het moet een adembenemend gezicht zijn geweest voor de jonge Uble Pieters. Hij kende de toren van zijn woonplaats Surhuizum alleen als losstaande toren. Dat het een bijzondere toren was omdat het een gemetselde torenspits had en al uit 1300 dateerde, dat wist Uble natuurlijk niet. Hij kwam vrijwel nooit buiten Surhuizum. Vroeger had er wel een kerkje bij de toren gestaan maar die was een aantal jaren geleden verdwenen omdat hij bijna instortte. Gelukkig werd er nu - we praten dan over het jaar 1734 - een nieuwe kerk bij de toren gebouwd en dat was een gigantisch karwei waar de 10-jarige Uble Pieters graag naar stond te kijken. Ook de plechtige eerste steen legging had hij, zij het van een afstandje, kunnen zien. De 16 jarige zoon Eelco van de rijke grietman Haersma viel die eer te beurt. Dat was ook wel logisch want tenslotte schonk Haersma samen met gedeputeerde staten het kerkje 3 gebrandschilderde ramen. Het bouwproject was het mooiste wat Uble Pieters ooit had gezien en met open mond ging hij elke keer weer kijken hoe de bouw vorderde en hoe mooi en groot het werd. Ten opzichte van de kleine boerderijtjes en plaggenhutjes leek die kerk onverwoestbaar en net een paleis. Natuurlijk was de bouw het gesprek van de dag en kwam er ook veel vreemd volk op af.

Surhuizum was al een oude agrarische enclave en een van de 8 kerspelen waar de latere gemeente Achtkarspelen naar is genoemd. Hoe Uble in Surhuizum terecht kwam, is niet bekend. Zijn naam - Uble - duidt op echte friese herkomst. Maar of men al lang voordien in Surhuizum woonde, laat zich raden. De naam Uble of Oebele komt in de 17e eeuw meer voor in de jonge veenontginning van Surhuisterveen. Het is goed mogelijk dat zijn voorouders tot een van de migrantengroepen hoorde, die zich in Surhuisterveen vestigden. En of ze een doopsgezinde achtergrond hadden net als zovelen in Surhuisterveen, blijft ook gissen.

Nee, het enige wat vaststaat is Surhuizum waar Uble woonde, trouwde en kinderen kreeg.
Surhuizum was net als trouwens plaatsen als Augustinusga en Buitenpost een echte grensplaats. De grens tussen Friesland en Groningen werd gevormd door het veenriviertje Lauwers. Het grensgebied was nagenoeg ondoordringbaar vanwege het hoogveen. Vanuit het zuiden was Gerkeklooster-Stroobos de eerste gelegenheid voor grensoverschrijdend scheepvaartverkeer. Het was een gebied met een gemeleerde bevolking: kloosters die vanouds grondbezit hadden en grond ontginden, zoals Gerkeklooster; agrarische enclaves met boeren die op het veen wat verbouwden, turf staken voor eigen gebruik, wat vee hadden in de hooilanden; verveners en veenarbeiders die systematisch het veengebied exploiteerden en de turf afvoerden; bevolkingsgroepen die de grensstreek als wijkplaats kozen omdat ze elders achtervolgd werden (zoals grote groepen doopsgezinden). Om een indruk te hebben van hoe grote delen van de omgeving van Surhuizum er uit moeten hebben gezien, kan verwezen worden naar het enige oorspronkelijke hoogveengebied wat Nederland nog rijk is nl. het Fochteloërveen.

Zoon Pieter werd omstreeks 1749 geboren in Surhuizum. Pieter Ubels dus. Pieter werd landbouwer en het ligt voor de hand dat zijn vader dat ook was geweest en Pieter dat voortzette. Pas toen hij 30 jaar was trouwde hij Tjipkjen Hillebrants. Een beetje gek lijkt dat wel want Pieter en Tjipkjen kwamen beide uit Surhuizum en moeten elkaar al vanaf hun jeugd goed gekend hebben; waarom dan wachten met een huwelijk tot je 30 resp. 27 jaar bent? Vergde het dagelijks bestaan alle aandacht? Ontbrak de noodzaak nog voor een huwelijk? Waren ze thuis nog teveel nodig?
Pieter en Tjipkjen krijgen 6 zonen; de eerste twee krijgen zoals gebruikelijk de naam van de beide grootvaders nl. Oebele en Hillebrant. De namen van de volgende 3 zonen zijn niet direct af te leiden: Aldert, Jan en Sietse. Maar opmerkelijker dan hun namen is hun geboorteplaats: Augustinusga. Pieter en Tjipkjen waren verhuisd; weliswaar naar het zeer nabijgelegen Augustinusga maar kennelijk waren de vooruitzichten in Surhuizum niet meer zo gunstig. We leven dan omstreeks 1785. Nu was de grensstreek nooit een rijk gebied maar al sinds ca. 1750 liep de vervening in dit gebied terug, liep de werkloosheid op en was sprake van grote armoede. Het is mogelijk dat Pieter hier voor zijn groeiende gezin te weinig toekomstmogelijkheden zag. Waarschijnlijk haalde hij zijn bestaan ook niet louter uit landbouwactiviteiten maar was "vervening" ook voor hem van betekenis. Dit beeld wordt versterkt door het feit dat Pieter niet langer dan een jaar of 7 of 8 in Augustinusga bleef wonen en omstreeks 1791/1792 verhuisde naar het Groningse Grootegast, waar zoon Jitze werd geboren.

We staan dan aan de vooravond van de Franse bezetting. Het zijn roerige tijden. De hele grensstreek is betrokken bij de uit de hand gelopen actie van Prinsgezinden begin 1797 wat bekend staat als het zgn. Kollumer Oproer. De Fransen zorgen ook een nieuw bestuursstelsel met een indeling in gemeenten waaronder de gemeente Grootegast. Bij decreet van 1811 wordt bepaald dat iedereen een familienaam moet laten registreren. Maar in 1813 worden de Fransen verjaagd door Russische troepen en ontstaat het Koninkrijk der Nederlanden met Willem I als koning.
Het is in die roerige Franse tijd dat Pieter Ubels opnieuw verhuist. Wellicht dat het perspectief wat verruimd is en het contactennetwerk verbreed; de oudste kinderen zijn immers al lang aan het werk en zoon Oebele en Alder zijn beide schipper en zullen dus goed weten wat er in de wijdere omgeving leeft.Maar ook nu gebeurt de verhuizing op het moment dat de verveningsactiviteiten bij Grootegast sterk zijn verminderd. Pieter en Tjipkjen trekken zuidwaarts naar Zevenhuizen waar omstreeks de eeuwwisseling veel grond wordt aangeboden o.a. door de heren van Nienoord. Zo komen Pieter en Tjipkjen ca 15-20 jaar na hun vertrek uit het Friese Surhuizum met hun gezin aan de andere kant van het hoogveengebied terecht in het Groningse Zevenhuizen.

Zevenhuizen: bakermat van "Van der Vinne"

Zevenhuizen is een misleidende naam want sinds de start van de veenontginning op grote schaal eind 17e eeuw is het aanmerkelijk groter dan 7 huizen. Zevenhuizen is een echte veenkolonie met een stelsel van wijken en ontginningsassen. De venen van Zevenhuizen waren heel moerassig en er lagen ook veel meren en waterpoelen. Veenstroompjes doorkruisten het gebied. Ook de randen van het veengebied hadden veel wateroverlast. Was het dit gegeven dat Pieter Ubels inspireerde tot de naam "Van der Vinne"? Volgens de etymologie moeten we bij "vinne" niet primair denken aan "veen" maar aan "ven" of het Friese "fenne". Dat verwijst naar een waterplas of nog eenvoudiger naar nat weiland. Woonde Pieter Ubel bij zo'n vennetje of bij zo'n waterrijk land? Ontstond daardoor misschien vanzelf de naam "Pieter van der Vinne"? Er is grote kans op.

Net als eerder in Surhuizum en Surhuisterveen bestaat de bevolking van Zevenhuizen uit een gemeleerd gezelschap. Voor de bekende streekromanschrijver Theun de Vries biedt het een prachtig decor voor zijn roman "De wilde lantaarns" waarmee hij verwijst naar de spookachtige dwaallichtjes in het veen. Hij omschrijft deze ontwikkeling als volgt:
"Naarmate de aarde grauwer en wijder en vlakker werd en al het lieflijke, bloeiende en ongetemde weggeschoren door spaden en steekijzers, week de hemel hoger terug, werden de mensen in de Wildhoek talrijker en gemengder. Er ontstond een nieuw volk, teelt van de Bonteschouwsters (nb.oorspronkelijke bewoners hoogveen) met al wat van nabij op de vervening afkwam, om geld te verdienen, uit De Wilp, Siegerswoude en Nuis, een slag van Drenten, Groningers en Friezen, die zich weer verbonden met al wat van veraf was blijven hangen, hetzij uit Holland of Overijssel, tot er een mensensoort huisde, die machtig kon werken....In die dagen en nog jaren daarna keken de koddebeiers ook maar liefst een andere kant uit als ze ergens onraad vermoedden, en bij bruiloften en dodenmalen waren de mannen van de wet nergens te vinden."
Theun de Vries heeft dit overigens vast niet van zichzelf. Er bestaat namelijk een prachtige beschrijving van Zevenhuizen uit 1829 van meester Buist die de leefwijze aldaar als volgt beschreef:
"Het algemeen karakter van de ingezetenen is innemend, maar tevens onoprecht, zodat ze zelf vaak spreken, hetgeen zij niet menen; voornamelijk onder de Friezen is de instelling zo als men hen een kwartje geeft, dan willen ze wel een valse eed doen. De levenswijze is heel verschillend, de één gaat 's morgens om 2 uur op, voornamelijk onder de arbeidende stand, en een tweede om 4 à 5 uur en ook enkelen heel laat. Zo ongelijk is het ook met het ontbijten en met het naar bed gaan. Vermaken en uitspattingen zijn hier niet weinig, vooral onder de jongeren. Niet alleen met Pasen, Pinksteren en Nieuwjaar, maar bijna alle zondagavonden, en dat duurt dan tot aan de morgen. Dat niet alleen, maar er zijn vloekpartijen, geschreeuw, slagerijen en er worden glazen kapot geslagen. ja, het gebeurt vaak, als ik 's morgens naar school ga, dat de kroegen nog vol zitten. Bij het trouwen is het gebruik dat er niet veel bijzonders voorvalt. De kerkelijke inzegening wordt door heel weinig mensen gewenst; het gaat velen als de hazen en vossen; zij paren. Maar dit heeft alleen onder de Friezen plaats. Met het dopen van de kinderen is het net zo gesteld. Want dan wachten ze zolang tot ze twee of drie kinderen hebben , en dan allen tegelijk, maar velen in het geheel niet. Zij komen zelden of nooit in de kerk; de zondag is een slaapdag."
Kennelijk was meester Buist geen vriend van de Friezen. Maar een gunstige naam had Zevenhuizen niet. Het was deze leefomgeving waar de uitgebreide familie van Pieter van der Vinne haar domicilie had. De zonen vonden hier hun vrouwen en kregen hier hun kinderen. Twee eeuwen lang bleef de naam "van der Vinne" in deze contreien bekend.


kaart Zevenhuizen omstreeks 1825

Jitze was de jongste zoon van Pieter van der Vinne. Geboren in Grootegast was hij nog een kleine jongen toen hij in Zevenhuizen kwam wonen. Misschien is hij wel bij meester Buist naar school geweest. Of bij meester Evert Jans die bekend stond om zijn optreden met de 'bullepees'. Overigens zal Jitze alleen in de winter onderwijs hebben genoten; in de zomer kon ook de kinderarbeid op het veld en in huis niet gemist worden.
Als Jitze in 1814 21 jaar is trouwt hij Lisebeth van Wijk; alleen haar naam al verwijst naar een herkomst uit Zevenhuizen. Het is geen lang en gelukkig huwelijk. Wel krijgen ze een gezonde zoon, maar hun tweede zoon overlijdt reeds na een maand en ook Lisebeth komt te overlijden. In 1824 trouwt Jitze met Sjuurtje Jeips. Hun eerste zoon Hilbrant wordt slechts 7 jaar oud. De 2e zoon Ubel overlijdt na 5 maanden; moeder Sjuurtje overlijdt 3 weken later. In 1829 trouwt Jitze voor de derde keer en nu met Engeltje Auwema. Met dit huwelijk breekt een gelukkigere tijd aan voor Jitze. Weliswaar overlijden in 1831 en in 1836 na een maand pasgeboren kinderen maar samen krijgen ze tussen 1830 en 1843 ook 6 gezonde kinderen die opgroeien tot volwassenen.
Al het leed dat hem trof zal Jitze tot nadenken hebben gestemd. Hij zal zich ongetwijfeld hebben afgevraagd waarom die dingen zo gebeuren. En daarnaast zal hij gezien hebben dat velen in Zevenhuizen er maar op los leefden. Deze ervaringen moeten de voedingsbodem zijn geweest voor wat Jitze uiteindelijk werd: een godvruchtig man.

Al jaren werden er in het Westerkwartier religieuze bijeenkomsten (oefeningen) gehouden buiten de officiele kerk. In 1793 was er een grote "oefening" in Zevenhuizen die een grote menigte trok. Ook in de jaren er na trokken deze oefeningen regelmatig belangstelling. Het is dan ook niet gek dat toen ds. De Cock uit Ulrum uittrad uit de Hervormde kerk - de zgn. Afscheiding - dit ook in Zevenhuizen een schok gaf. Jitze van der Vinne speelde daarin een belangrijke rol. Alida de Vries en Jannee Russchen schrijven daarover het volgende.
"...Maar in 1832 toen voor H.W.Pool en H.J.Bakker, Hendrik Albertus Oosting en Jitze Pieters van der Vinne werden benoemd (in de kerkeraad) ging de wind uit een andere hoek waaien. Van der Vinne had Gereformeerde denkbeelden en een sterke voorliefde voor oefeningen die hij - naar verluidde - bezocht met een Statenbijbel in een zakje op de rug. Hij raakte met de andere kerkbestuurders al snel in onmin, toen de vraag aan de orde kwam van welke richting de te beroepen predikant zou zijn.....Intussen gingen de oefenaars door hun gehoor te onderwijzen...Zij hielden hun godsdienstoefeningen veelal in de woning waar J.P. van der Vinne woonde of bij ouderling H.W. Pool. Ook werd behalve de oefening 'stil uur' gehouden. Als dan de vergadering voltallig was, werden de lampen uitgedaan en zat men in vrome overpeinzingen stil bijeen of de Geest des Heren ook mocht komen. De preek ging in de regel niet diep, maar was wel zwaar van stof, die veelal op de klank werd aangehaald".
De consulent greep in januari 1834 in en hield de leden van de kerkeraad voor dat zij "gehouden waren de reglementen van de kerk te handhaven naar de belofte die zij bij hun bevestiging hadden afgelegd. Dat was olie op het vuur. er volgde een fel debat tussen Van der Vinne en de consulent".
Uiteindelijk verliet J.P. van der Vinne de kerkeraad en ging over naar de groep Afgescheidenen. In 1835 werd een kerkgenootschap opgericht zich noemende Christelijk Afgescheidene Gemeente.
"De diensten werden gehouden in de woning van een van de gemeenteleden. Meestal waren de diensten in de woning van E.F.Drenth wonende aan de Kokswijk of G.J.Meijer wonende aan de Oostindische wijk of bij J.P.van der Vinne. Hij woonde op de hoek van de Evertswijk en het Hoofddiep. Op 8 augustus 1844 verkocht J.P.van der Vinne 6,5 roe gornd voor f.40 aan de Christelijk Afgescheiden Gemeente. Dat was op de plaats waar nu het bedrijf van Roeters en Zn. aan de Evertswijk is gevestigd."
Hier werd een eenvoudige kerk en pastorie gebouwd.


gereformeerde kerk en pastorie, Evertswijk vòòr 1921

Aan diezelfde Evertswijk woonde overigens ook een Auwema, waar men pramen kon huren. Een belangrijk functie natuurlijk want al het transport verliep over water. Niet alleen de turf werd per schip afgevoerd, er waren ook mestschepen, beurtschepen, potschepen wat eigenlijk reizende winkels waren.
Het is natuurlijk de vraag of deze Auwema dezelfde familie is als Jitzes vrouw Engeltje; het zelf niet ondenkbeeldig dat Jitzes om die reden aan de Evertwijk is komen wonen.


Evertswijk omstreeks 1925

"Jarenlang waren veenboeren gewend om de heide en het bovenliggende veen af te branden om de grond daarna geschikt te maken voor verbouw van boekweit. Als de kans op nachtvorst voorbij was werd de boekweit gezaaid. De verdere verzorging van de boekweit was meestal vrouwenwerk. Op het land werd de boekweit gedorst en gezeefd. Daarna werd de boekweit in het woonvertrek op de grond uitgespreid en kwamen de buren 's avonds helpen trappen om de pluisjes die nog aan het zaad zaten af te breken. Zoiets liep vaak uit op een groot feest"
Bij het afbranden van het veen ging het trouwens ook vaak mis. Op 11 juni 1833 brak er een onweersbui los en een hevige wind die het veen dat op diverse plaatsen smeulde in brand zette. Het leidde tot een enorme veenbrand die zowel ten oosten als ten westen van Zevenhuizen grote gebieden vernielde en velen van al hun bezittingen beroofde. Toch lijkt het erop dat de Evertswijk gespaard bleef.
"Naarmate overigens de venen in Zevenhuizen in de loop der jaren afnamen begon er gebrek aan werk te komen. Vele huisgezinnen vertrokken stuk voor stuk naar andere streken waar 'veen aan snee' kwam. Anderen bleven maar trokken omstreeks Pasen met pak en zak naar Stadskanaal, Nieuweroord, Nieuw-Amsterdam, Erica of Schoonoord.Het aantal vertrekkende turfgravers kan men jaarlijks wel op 400 schatten, dat was ongeveer een vijfde deel van de gehele bevolking, en de opening van de veencampagne veroorzaakte hier dus een ware volksverhuizing".

Tussen 1845 en 1860 is ook Jitze uit Zevenhuizen vertrokken en heeft zijn heil in de Drentse veenkoloniën gezocht. Zijn oudere broers en zussen - allen woonachtig in Zevenhuizen - waren inmiddels allen overleden. Net als veel andere dorpsgenoten kwam hij terecht in Drouwenermond.

Nog even een blik terug van Girbe Buist die ter gelegenheid van zijn 100ste verjaardag in november 1939 werd geinterviewd. Zijn jeugdjaren sloten dus aan op de tijd dat Jitze in Zevenhuizen woonde. Een impressie afkomstig van de website www.7huizen.nl::
' "Ben je jong getrouwd , Buist?" ,Jao, dat gong nogaal." Maor cinten hadden we niet. Toen we trouwd wassen, kochten we ien 't gemeentehuus elk twee borrels en toen hadden we nog 25 stuvers over. Een bed hadden we niet; wat stroo met een laoken er overhèn en 'n paor dekens, die warren ons geven. Maor wie hemm er altied lekker op slaopen en goed rust heur !" "Heb je het krap gehad In je trouwen, Buist?" "Nee, krap niet jong; mor één keer; toen warren om de langste dag ons alle eerappels bevroren en cinten hadden we ok niet. Een buurman leende ons Zaoterdagaovends een half mudde en laoter kreeg'n we wat van de femilie en toen hemm we gien krapte weer had. Jao, jao, Postema, veul wederwaordigheden, maor uut die alle redde ons God". “Je hebt het zeker nog al zwaar gehad, niet Buist?" “Jao jong, alle zummers naar 't kenaol hèn baggeln; die 'n rieksdaotder had, die had één. maor 'n ander leende één en daormet naor 't kenaol. We kregen sums ien zeuven weken geen kleeren uut; maor het ging om 't verdienst. Dat waark heb ik twintig jaor daon; dat was mien vak: baggeln en wiekgroaven,. “Joa jong, ’t was altmets zwoar waark. Mor wij hemm ons redt”.
“Hoe was het hier, toen U jong was, met het kerkgaan, Buist ? " "Och jong, dat ging er sums zoo wat langs; de Gereformeerde kerk was toen klein. Er kwammen sums middags niet meer dan een stuk of vieftien ien kerk. 't Maag mij nog heugen, de eerste domenee, dat was een domenee Van der Meer; loater kreeg'n we Aobels. Dat was 'n goeie nan heur! die har wat te min traktement, mor 'n klein beetje."

 

De "Monden": de streek van Jacob van der Vinne

De ontwikkeling van de Drentse veenkoloniën - en dus ook Drouwenermond - is gebaseerd op een convenant met de stad Groningen van 1817. De kanalen, wijken en "monden" worden ten laste van de stad gegraven. Daarentegen zorgen de veengenoten voor rente en afvoergelden. Rond 1822 verschijnen de eerste turfgravers. Omstreeks 1826 komen de eerste gezinnen. Zo rond 1840 zijn er enkele verveners die de productie willen opvoeren. Daarvoor is werkvolk nodig en die vindt men in het Zeeuwse Westkapelle: het Zeelandstreekje is er nog altijd een herinnering aan. Maar dat bleek maar een eenmalige invasie. Dus werd er weer in het Noorden gezocht. Het is ook in deze tijd dat er velen vanuit het Groningse Westerkwartier en zeker ook uit Zevenhuizen en omgeving hun toevlucht zochten in deze streek. Het zal voor een deel om veenarbeiders zijn gegaan. Het zal ook voor een deel zijn gegaan om boeren die de achtergebleven dalgrond tot ontginning wilden brengen. In het boekje "Drouwenermond 150 jaar" wordt over zgn. Zevenhuisters gesproken, verwijzend naar de mensen uit Zeeland. Maar ik betwijfel dat enigszins; het zou me niet verbazen als deze term verwees naar families die afkomstig zijn uit het Groningse Zevenhuizen. Kortom, families zoals die van Jitze van der Vinne. Het is ook niet voor niets dat geconstateerd wordt dat er nogal wat "gereformeerden" zich vestigden in dit gebied.

Drouwenermond is een echte veenkolonie met een langgestrekte bebouwing dat het saamhorigheidsgevoel niet bevorderd. In 1830 wonen er nog maar ruim 30 mensen; in 1860 zijn dat er zo'n 830. Een snikkevaarder komt allerlei huishoudelijke goederen aan de man brengen. Er komt een smid, een kleermaker, een bakker een schoenmaker. De migranten van buiten leren er met de jaarwisseling "kniepertjes" of "rollegies" bakken.
Het veen werd opengelegd door het graven van twee hoofddiepen (het Zuider- en Noorderdiep) waarop loodrecht de wijken uitkwamen. Opvallend in Drouwenermond is dat de bebouwing zich uiteindelijk vrijwel helemaal langs het Zuiderdiep concentreerde. Drouwernermond ontwikkelde zich ook al snel tot een typisch landbouwdorp.
Het nabijgelegen Nieuw Buinen ontstond later maar groeide uiteindelijk veel sneller. Hier ontstond ook enige industrialisatie m.n. de glasindustrie. Later ontstond de cooperatieve aardappelmeelfabriek. De dalgronden van Drouwenermond en Nieuw Buinen waren namelijk uitstekend geschikt voor de aardappelteelt.

Voor de akkerbouw was dit een gunstig gebied; de veenkoloniale gronden hadden een goede naam. De verkaveling was gunstig: blokvormig met een redelijke oppervlakte. Iedere dwarsplaats was over water bereikbaar. Hierdoor was de aanvoer van mest en afvoer van landbouwproducten vrij gemakkelijk. Een ander voordeel dat de veenkoloniale boer had boven zijn collega op het zand was, dat hij op de kop van de dwarsplaats woonde en dichtbij zijn land. Cruciaal voor de landbouw op de ontgonnen veengronden was de mestvoorziening. Maar in de veenkolonien beschikte men over de Groningse stadsdrek, een superieure kwaliteit mest in die tijd.

Als we naar de situatie van de ontgonnen dalgrond in de Drouwener venen kijken rond 1850 en 1880 kan het haast niet anders of Jitze vestigde zich met zijn gezin vrijwel aan het begin van de Mond. Daarmee behoorde hij tot de eerste landbouwers. Pas in de periode 1860-1870 nam het aantal dalgrondontginningen sterk toe. Kerkelijk was Jitze aangewezen op de christelijke afgescheidene gemeente van het nabijgelegen Stadskanaal. Overigens was ook hier de kerkelijke gemeente sterk in beweging, niet in het minst door de invloed van de "baptisten" die hun oorsprong hadden in de Nijveense Mond; ook in Drouwener Mond hadden ze veel aanhangers.

Jitze was met 7 kinderen naar Drouwenermond gekomen. Zoon Pieter uit het eerste huwelijk was al lang getrouwd. Van dochter Tjipkjen is het onduidelijk; in 1848 trouwde ze in Marum maar uiteindelijk stierf ze in 1901 in Drouwenermond. Zij was het die uiteindelijk het ouderlijk huis van Jitze en Engeltje overnam want bij haar overlijden bleef dit als onroerend goed achter.
Maar Ake, Ubel, Jantje, Sietze, Jacob, Martje en Janke gingen mee. Ubel bleef lang ongetrouwd; misschien bleef hij ook eerst thuis wonen. Pas toen hij 57 jaar was trouwde hij zijn nichtje, dochter van broer Ake "met dispensatie" zoals het bevolkingsregister opmerkt. Vader Jitze was toen al lang overleden (1861) en ook moeder Engeltje was gestorven (1887). Saillant is overigens dat zijn nichtje ook Engelina heette, vernoemd naar haar grootmoeder, tevens overgrootmoeder. Overigens ook Ake en Jantje bleven eerst in Drouwenermond wonen; Sietze en Jacob trokken naar Tweede Exloërmond, Martje ging naar Nieuw Buinen en Janke ging door haar huwelijk weer terug naar Zevenhuizen.

Jacob was het 7e kind en op ca. 15 jarige leeftijd meegekomen naar Drouwenermond. Hij vond zijn partner in Rendeltje Meijer die afkomstig was uit Hoogezand. Overigens trouwde zijn jongere zus Martje met Rendeltjes broer Hendrik. Aanvankelijk gingen Jacob en Rendeltje in Musselkanaal wonen. Tussen 1872 en 1875 verhuisden ze naar Tweede Exloërmond. Verondersteld kan worden dat Jacob daar een stuk dalgrond kon krijgen hoewel dat niet zeker is want de opgave van zijn beroep wisselt; aanvankelijk arbeider, later een keer vervener en tenslotte meestal landbouwer. Het is ook mogelijk dat hij samen ging werken met zijn broer Sietze, want die maakte ongeveer dezelfde ontwikkeling mee. Aanvankelijk wonen in Musselkanaal, via Exloërveen ook om dezelfde tijd in Tweede Exloërmond gevestigd. Sietze wordt wel consequent als arbeider in de registers vermeld. Trouwens 10-15 jaar later kwam ook broer Ake vanuit Nieuw Buinen naar Tweede Exloërmond.
Het was een bijzondere tijd voor de landbouw. Immers zo omstreeks 1870 werd het gebruik van kunstmest ingevoerd. Voor de relatief arme dalgronden was dat van grote betekenis ondanks het feit dat men met de Groningse stadscompost al goed af was geweest. Het is de tijd dat vooral de aardappelteelt grote omvang ging aannemen hetgeen ook leidde tot een aardappelverwerkende industrie (Aveba).
Helaas overleed Rendeltje al vroeg op 46-jarige leeftijd in 1890. De oudste dochter was toen 20 jaar, de jongste zoon pas 8 jaar oud. Het ligt voor de hand dat broer Sietze en schoonzus Jantje Mooibroek voor de nodige opvang hebben gezorgd hoewel ze zelf ook 5 kinderen hadden. Saillant daarbij is dat de twee oudste kinderen van Jacob - Engelina en Jakob - dezelfde namen en vrijwel dezelfde leeftijd hadden als de twee oudste kinderen van Sietze. In zo'n kleine gemeenschap als Tweede Exloërmond moet dat de nodige verwarring hebben gegeven. Tot op de dag van vandaag wonen er overigens nog Van der Vinne's in Tweede Exloërmond zij het vooral nazaten van Ake.


Uit fotoboek "150 jaar 2e Exloërmond"; betreft nazaten van Ake v.d. Vinne

 

Musselkanaal: kruidenier Jakob van der Vinne

Jakob van der Vinne, zoon van Jacob en Rendeltje, was het 2e kind en was in Musselkanaal geboren voordat zijn vader en moeder naar Tweede Exloërmond verhuisden. Jakob vond zijn partner in Musselkanaal, Foekina, dochter van bakker Sipko Sennema. In 1896 trouwden ze. Was het de geleidelijke afloop van de vervening en daardoor gespannen arbeidsmarkt? Waren het misschien de geringere perspectieven in de landbouw als gevolg van de landbouwcrises van 1880? Was het gewoon de invloed van zijn schoonvader,de bakker? Ieder geval maakte Jakob een stap die velen eind 19e eeuw maakten nl. weg uit de landbouw en beginnen als middenstander (anderen kozen voor ambtenaar of werk in de infrastructuur). Het begrip 'middenstander' ontstond eind 19e eeuw om de groep zelfstandige handelaren en ambachtslieden te onderscheiden van arbeiders en boeren enerzijds en de industriëlen en intellectuele beroepsbeoefenaren anderzijds. Sociologisch zat deze "stand" inderdaad in het midden. Illustratief voor deze groep was jarenlang 'de kruidenier op de hoek'. En dat beeld was zeer terecht. In de eerste decennia van de 20e eeuw groeide in Nederland het aantal kruideniers naar zo'n 30.000 d.w.z. 1 kruidenier op elke 260 inwoners. En volgens de planologische opvatting van die tijd zaten ze vaak op de meest logische plek vanuit het oogpunt van bereikbaarheid nl. op een hoek. (Ter vergelijking: in 1980 was er 1 kruidenier op 1270 inwoners). Deze opkomende middenstand was een belangrijk gevolg van enerzijds uitstoot uit de landbouw en anderzijds een grotere welvaartsgroei. Maar omstreeks 1929 kwam hier een kentering in en braken de zgn. 'crisisjaren' aan die tot 1936 duurden. Het gemiddelde jaarinkomen daalde in die tijd van f. 2340 naar f2075; het nieuwe Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf meldt als dieptepunt een uurloon in kruidenierswinkels van f 0,18.  Maar behalve een lager inkomen waren er ook sociale spanningen; menige winkelier en kruidenier werd geconfronteerd met vaste klanten die 'van de steun trokken' en op krediet wilden kopen.

Als we de foto bekijken van hun winkel op Sluiskade 104 zien we dat er niet alleen maar kruidenierswaren over de toonbank gingen. Op de gevel staat met grote letters 'klompen'; op de ramen staat inderdaad 'kruidenierswaren' maar ook 'brood, koek en banket'. Ook op het pand links staat de naam van J.v.d.Vinne en verder 'disteleerderij, likeurstokerij, ? & wijnhandel'. Jakob en Foekina poseren in de deuropening van het pand rechts. Jakob was overigens van alle markten thuis want volgens de overlevering heeft hij deze panden zelf gebouwd; ook bouwde hij andere huizen aan de Sluiskade voor de verhuur.
Behalve de winkel hadden Jakob en Foekina een druk gezin met 8 kinderen die bijna volgens het patroon van een rekenkundige reeks werden geboren: Ring (1896), Aaltje (1898), Job (1900), Ankie (1903), Engel (1905), Ko (1908), Catrien (1911), Sien (1913), Kees (1915) en Henri (1919) . De eerste werd zoals overigens zo vaak nog in die tijd binnen 9 maanden na de trouwdatum geboren.


vlnr achter: Sien, Ko, Ring, Job, Catrien
midden: Aaltje, Jakob, Engel, Foekina, Ankie
voor: Henri, Kees

Van Jakob is bekend dat het een aardige man was die bestellingen per fiets afleverde, in die tijd een modern transportmiddel. Foekina is vooral een strenge en trotse Groningse vrouw; ook op de foto's is die karaktertrek duidelijk waarneembaar. Van haar gaat het verhaal dat ze op 31 december jarig was waardoor iedereen van het gezin - ook toen ze uit huis waren - natuurlijk toch probeerde oud en nieuw bij de ouders thuis te vieren; totdat bij haar overlijden bleek dat ze op 30 december geboren was! Ongetwijfeld hebben de oudste meiden thuis het nodig moeten doen in het huishouden want moeder Foekina was niet het type van "huissloof", integendeel. Vader Jakob daarentegen was veel meer een scharrelaar en handelaar.

Jakob en Foekina hebben hun levenlang in Musselkanaal gewoond. In 1946 vierden ze met de hele familie hun 50-jarig huwelijk. Nadat Jacob in 1953 op 80-jarige leeftijd was overleden verhuisde Foekina in de zomer 1958 nog naar een verzorgingsflat maar na een halfjaar overleed zij ook op 81-jarige leeftijd; 2 weken later zou ze jarig zijn geweest; tot verrassing van de familieleden bleek ze op 30 december te verjaren en niet - zoals ze zelf altijd had volgehouden - op 31 december. Daarmee had ze wel jarenlang gezorgd dat oudejaarsavond bij Jakob en Foekina thuis gevierd werd!

 

.

 

Ankelina uit Vlagtwedde

Ankelina of Ankie was het 4e kind in het gezin van Jakob en Foekina. Maar er is iets merkwaardigs mee aan de hand. Terwijl alle andere kinderen geboren zijn in de gemeente Onstwedde, waar Musselkanaal onder viel, staat bij Ankie als geboorteplaats Vlagtwedde. Een verklaring ervoor is niet bekend. Misschien dat hier een verloskundige praktijk was, hoewel het meer voor de hand ligt dat in dat geval naar Stadskanaal werd uitgeweken. Of misschien is Foekina gewoon overvallen door de geboorte van haar dochter? Vastzitten in de sneeuw zal er niet bij zijn geweest want Ankie werd hartje zomer geboren.
Ankie is een echt "tussenkind"; niet de oudste en ook niet de jongste. Een beetje onopvallend misschien maar wel evenwichtig en met weinig tevreden..
Ankie groeit net als haar broers en zussen op in Musselkanaal. Een aantal blijven daar later ook wonen. En waar Jakob de stap gezet heeft van arbeider naar de middenstand, zie je de meeste kinderen nadrukkelijk die nieuwe middenklasse vormgeven. Ring trouwt met Wietze de Vries en zij beginnen er een rijwielhandel. Aaltje trouwt de zoon van een middenstander, Harm Kugel, en blijft in Musselkanaal, Engel zet de kruidenierswinkel voort. Sien trouwt met een leraar en Cathrien met een kapitein; zij zal haar man de hele oorlog moeten missen. Job zit in de handel; Kees blijft in de buurt in Onstwedde ook in de rijwielhandel net als Ko. Maar Ko zal later samen met Ankie en Henri en een andere familie naar Suriname emigreren en vervolgens naar Canada. Maar dan is Ankie al getrouwd met Willem Ensing en zijn we een wereldoorlog verder.

zie: Willem Ensing


Ankie 18 jaar oud.

 

Drouwenermond 150 jaar, 1973.
K.P.Timmer: De Drouwener venen, Borger 1992
Tom van der Meulen; Dorpen aan de grens: Augustinusga, Gerkeklooster-Stroobos en Surhuizum, 2000
S.J. van der Molen; Feanster flucht 1576-1976, 1976.
Alida de Vries/Jannes Russchen; Bij ons ien Zev'husen, 1978
H.Schuurman: Musselkanaal, een dorp aan het Stadskanaal,1983
J.Pranger; 150 jaar 2e Exloërmond 1853-2003